Zondag 17 sept. 1944 t/m vrijdag 5 okt. 1944

Zondag 17 september 1944 tot en met vrijdag 5 oktober 1944.

Het was de laatste dagen zo rustig, maar die rust werd ondanks het mooie weer danig verstoord. We werden opgeschrikt door het hevige gedreun van vliegtuigen en even later was de mooie blauwe lucht gevuld met bommenwerpers. Later hoorden we het lawaai van neerstortende bommen aan de overkant richting kasteel Doorwerth. We ontdekten al vrij snel dat de Engelsen de Duitsers onder vuur namen. Maar de stroom van vliegtuigen hield niet op, maar nu waren het geen bommenwerpers, maar transportvliegtuigen, die elk een zweefvliegtuig voorttrokken. De kabels werden een eind verderop losgegooid en de " gliders " gingen alleen verder, de Rijn over, achter de bossen.

Wij meenden toen dat de oorlog wel gauw voorbij zou zijn en dat we spoedig bevrijd zouden worden door de Engelsen, die aan de overkant gedropt waren. Maar dat is helaas, zoals bekend, anders gelopen. Bij ons rondom de boerderij op het land vielen ook parachutes, in de kleuren rood, wit, blauw en oranje, maar deze waren te vroeg afgeworpen. Ze bleken bestemd te zijn voor de overkant, waar de parachutisten waren neergekomen. Aan die parachutes zaten rieten manden vast van een meter hoogte en breedte. Daarin zaten o.a. grijze wollen dekens, die we ook meegenomen hebben op onze " vlucht " en tijdens onze evacuatie gebruikt hebben. Ook waren er manden bij die vol zaten met munitie. Wij namen uit één mand een paar z.g. " aktetassen " mee naar huis en lieten die vader zien, die in de kelder was. Maar toen had je poppen aan het dansen, want vader vertelde ons dat het munitie was en dat we die zo gauw mogelijk terug moesten brengen. We moesten voorzichtig zijn, dat hebben we ook gedaan want we deden bijna in onze broek. Vanaf de luchtlandingen hebben we geregeld in de kelder gezeten, die in de boerderij was; daar waren we tenminste veilig !
Van te voren hadden we reeds een schuilkelder buitenshuis gemaakt, maar deze was verkeerd gepland, omdat deze aan de kant van de Rijn lag, in het gezicht van de Duitsers. Zij hadden de hele dag hun verrekijker op óns en onze boerderij gericht om te zien , wat wij daar uitspookten.

Wij wisten helemaal niet, hoe de situatie was; nu eens schoten ze vanaf de dijk over de Rijn op de Veluwe, dan weer werd er gevuurd vanaf de overkant richting het dorp Driel. Als er vanuit Driel werd geschoten, dan kwamen de granaten altijd aan de overkant bij de Duitsers terecht. Maar werd er van over de Rijn gevuurd , dan was je niet veilig meer en kon je het beste maar in de kelder blijven. De granaten en kogels misten vaak hun doel en kwamen dan rondom ons huis terecht. Dat de Duitsers aan de overkant zaten ,daar waren we zo langzamerhand wel achter gekomen. Want zo gauw mijn broer Koos en ik overdag buiten kwamen , werd er van de overkant door Duitsers op ons geschoten. Ze wilden daarmee ons alleen angst aanjagen, want ze hebben vaak genoeg de mogelijkheid om ons te dood te schieten. Gelukkig is dat niet gebeurd !

Al die tijd hebben wij geen Duitsers bij ons gehad , tenminste niet overdag; maar 's nachs kwamen er verkenners spioneren langs de Rijn. Zo gauw het licht begon te worden, waren ze weer verdwenen, want ze durfden niet bij ons thuis te komen. Zij verkeerden in de veronderstelling dat er Engelsen bij ons zaten. Omgekeerd was dat hetzelfde ; de Engelsen zijn ook nooit bij ons geweest, want zij meenden dat bij ons Duitsers waren gehuisvest.
Door de vele granaten die rondom onze boerderij waren gevallen en door de herhaalde beschietingen van weerskanten, hadden we in ons huis nog maar één ruit zitten, nl alleen op de vliering. Mijn broer en ik gingen regelmatig op verkenning uit . Zo liepen we dan vanuit de kelder de deel over en daarna door de gang naar boven om op de vliering te kijken, wat de Duitsers aan de overkant deden. Maar lang kon dat niet , want de mitrailleurkogels ketsten dan al tegen de muur. We wisten ons geen raad van angst , zodat we weer naar beneden renden om gauw in de kelder te komen.

Hoe lang het nog zou duren tot de bevrijding, wisten we niet ……., want we bezaten geen radio en verder hoorden we ook geen nieuws.
Naast ons huis op de dam stond een rode vlag. Dat betekende dat we midden in de vuurlinie zaten en dat klopte wel, want bijna dagelijks werd er over en weer geschoten. Onder langs de Rijnoever aan de overkant liepen gecamoufleerde Duitsers die wel op wandelende bomen met takken leken. De hele dag in de kelder zitten viel niet mee. Daarom gingen we als het 's avonds donker was , even luchten buiten onder de bomen. Het moest dan geen volle maan zijn, want dan zagen de Duitsers je lopen en schoten ze om je bang te maken. Dan moest je weer vlug naar binnen. Ook moest je oppassen om niet in een granaattrechter vallen.

We zaten in de kelder niet alleen met ons gezin van 15 personen ( vader, moeder en 13 kinderen, waarvan de jongste één jaar en de oudste 18 jaar was ), maar ook met een schippersgezin van 5 personen, te weten een vader met zijn twee zoons en twee dochters. Hun schuit was doorzeefd met kogels en lag tussen de kribben aan de grond. Op een goeie morgen ergerden de Duitsers zich aan de rood-wit-blauwe vlag die achterop de schuit wapperde. Ze hebben net zo lang geschoten , tot die vlag verdwenen was en hebben daarna de schuit ook maar de volle laag gegeven.
De schipper wilden op zekere dag toch eens bij zijn schuit gaan kijken. We hadden hem al gewaarschuwd om dat niet te doen, omdat het levensgevaarlijk was ; maar hij was eigenwijs en ging toch. Net was hij buitenshuis, of een kogel trof hem in zijn bovenbeen. Hij bloedde als een rund, maar gelukkig was er geen bot geraakt.
Hij wist niet, hoe vlug hij binnen moest komen en werd meteen verbonden met behulp van een laken. Nooit meer heeft hij geprobeerd om buiten te komen, zolang wij in de kelder gezeten hebben.
Regelmatig waren er rookgordijnen; soms aan de Duitse zijde en dan weer aan de Engelse kant. De ene keer zag je Engelse soldaten naar de steenoven van Terwindt gaan en dan weer de Duitsers. Zo werd er ook steeds over en weer gevuurd , doordat ze elke keer wisselden van plaats. Op een mooie rustige morgen wilden we eens naar de veldoven van baas Huisman gaan. Daarvoor moesten we een eind de dam uitlopen en net waren we een eind weg, toen we door de Duitsers onder vuur werden genomen. We lieten ons vallen en van de dam afrollen om zo ongezien weer thuis te komen. Wat waren we geschrokken ; nooit zijn we meer in de richting van de veldoven gegaan. !

Op een morgen brak de hel los. Want van kasteel Doorwerth tot aan het Drielse veer werd door de Engelsen de hele Veluwe onder vuur genomen. De granaten kwamen uit de richting Driel en van verder uit de Betuwe. Toen de kanonnen een hel tijd later verstomden , gaf de hele Veluwezoom langs de Rijn een trieste aanblik.
Geen boom stond meer overeind en het was er doodstil. Ook hotel " De Duno " was uit het landschap verdwenen, het was één grote puinhoop. De Engelsen wisten natuurlijk dat dit hotel het domein van de Duitsers was, maar die waren nu hun " home " kwijt. Van daaruit bespiedden ze de Betuwe en hadden ze een mooi uitzicht op onze boerderij om die in de gaten te houden. Regelmatig hoorden we akelig lawaai vanuit Oosterbeek , dat kwam uit de richting van de kerk onderlangs. Het was een geluid, of er een oude, verroeste schuifdeur openging. En ja hoor, daar kwam weer zo'n "ding" aan dat in de richting van ons dorp ging. Naar we later te weten zijn gekomen, moesten dat V.1's zijn. Hoeveel er in ons dorp gevallen zijn, weten we niet, maar het waren er veel. Als we dat lawaai hoorden, gingen we de kelder uit om te kijken, waar zo'n "vliegende bom " weer terecht zou komen. Wie zou nu weer het noodlot treffen ……? Ook de toren van de r.k.kerk te Driel stond niet meer overeind, die was inmiddels ook kapotgeschoten.

Ongeveer 100 meter van de boerderij was tijdens de luchtlandingen een transportvliegtuig neergestort. Dit was door de Duitsers naar beneden gehaald en had alleen munitie aan boord. Enorme ontploffingen volgden en de wrakstukken van het toestel vielen overal rondom onze boerderij. We durfden er niet bij te komen; dat was levensgevaarlijk en overledenen zouden er vast niet meer zijn. Na de explosies zijn we toch naar de wrakstukken toegegaan, maar geen teken van leven was er te bespeuren. Niets, helemaal niets van het vliegtuig was nog heel gebleven ! De eerste dagen hadden we nog van alles te eten, maar later moesten we ons behelpen wat de pot schafte. Brood hadden we niet meer, maar vlees, melk en eieren in overvloed. Toch at je niet lekker met zo'n overvloed, want je vond het erg dat in het noorden honger werd geleden. Dat vond je veel erger dan wat wij moesten meemaken.

Inmiddels ging de tijd verder en kwam de morgen van 4 oktober. 's Morgens was het eerst rustig, veel te rustig zelfs. Om ongeveer 10 uur kwamen de eerste granaten bij de dijk neer. Ze vielen steeds dichterbij, ook bij het neergestorte transportvliegtuig. De Duitsers begonnen nu gericht te vuren. Wij vertrouwden het niet en bleven in de kelder. Ineens hoorden we enorm lawaai in het voorhuis. Mijn broer en ik gingen kijken in de gang en liepen de trap naar boven. Daar zagen we een voltreffer in het dak; je kon zo naar buiten kijken. Wij renden terug naar de kelder om verslag uit te brengen. We waren goed en wel beneden of er kwam een tweede voltreffer op dezelfde plaats; toen lag er allemaal puin op de trap en in de gang. Wat hadden we met z'n tweeën geluk gehad dat we meteen terug waren gegaan, anders waren we onder het puin bedolven. Toen viel er vervolgens in het voorhuis nog een derde voltreffer op dezelfde plek, maar er ontstond geen brand.
Om 11 uur roken we wel een brandlucht en we gingen weer uit de kelder naar de deel. Op de deel keken we naar boven naar de hooizolder en zagen een gat in het dak en het hooi stond in brand. Op de deel zelf lag ook nog een opper hooi voor het vee, maar dat vatte vlam door het lekken van het smeltende , hete zink. Zelf kregen we ook lekkend zink op onze jas, omdat we naar boven keken.
Toen waren de Duitsers tevreden ; de hele boerderij stond in brand !
Ze waren nu nieuwsgierig wie er allemaal te voorschijn zouden komen. Mijn broer en ik holden de kelder in en riepen dat ons huis in brand stond. Gauw renden ze allemaal de kelder uit naar buiten. Eerst werd er nog wat vee naar buiten gehaald. Onze hond hebben we in de boerderij achter moeten laten, omdat het te gevaarlijk was, als hij losliep. Toen we buiten kwamen moesten we snel naast de boerderij in een sloot duiken, omdat de Duitsers het vuur op ons openden.
De twee schippersjongens, Arend en Toon, waren bij de boerderij achtergebleven om er het één en ander uit halen. Ze waren veilig aan de andere kant van het huis, omdat ze uit het gezicht van de Duitsers waren. Toen we in de sloot lagen, konden de Duitsers ons nog zien en volgen, want de schipper had zijn hoed op en die stak boven de sloot uit. We riepen tegen hem dat hij zijn hoed af moest zetten. Dat deed hij gauw genoeg, omdat de kogels over ons heen floten. We zij toen een heel eind door de sloot verder gekropen, omdat we wisten dat die daar veel dieper was. Overal lagen kadavers van vee en wat nog niet dood was van het vee, werd nog doodgeschoten, terwijl wij in de sloot lagen. Dieren zijn nieuwsgierig, zo ook ons paard dat nog in de wei liep en naar ons kwam kijken. Het stond voor de sloot met zijn hoofd naar ons te staren, toen het plotseling werd geraakt door een kogel en wonder boven wonder gelukkig de andere kant uit viel. Anders waren we doodgedrukt door dat vallende paard. Terwijl we in de sloot lagen, zagen we onze boerderij in vlammen opgaan.

Ook schoten de Duitsers de veldoven van Terwindt in brand; wij lagen daar dichtbij. Wat een gitzwarte rook steeg er op; dat kwam doordat het dak van teer was. Gelukkig was er niet veel wind, anders waren we gestikt; de rook ging nu recht naar boven. We hebben tot 's middags 4 uur in de sloot gelegen, toen hielden de Duitsers op met schieten. Het overgebleven vee was ook allemaal dood; er was geen leven meer te bespeuren.
We zijn toen door de sloot naar de afgebrande boerderij gekropen. De twee schippersjongens waren daar nog. Hun vader wilde dat we met z'n allen naar de kapotte schuit zouden gaan. Dat hebben we geweigerd, omdat het te gevaarlijk was. We zeiden tegen hem dat we in het dorp zouden gaan kijken, of er van de Drielse bevolking nog mensen waren achtergebleven.
De twee jongens bleven bij de boerderij en zouden ons later volgen.
We liepen met z'n allen naar de dijk. Zo gauw de Duitsers zagen dat we een andere kant opgingen dan zij verwacht hadden, schoten ze weer op ons. We hadden nl. witte vlaggen aan een stok meegenomen ( dat hadden we eens gelezen over vluchtelingen in een krant ) en verder alleen maar een paar dekens, die door de Engelsen gedropt waren. Maar het ergste kwam nog ; we moesten tegen de dijk opklimmen om aan de andere kant te komen.
Om ervoor te zorgen dat we niet met z'n allen tegelijk werden geraakt, renden we elke keer met z'n tweeën tegen de dijkhelling op. We kwamen eerst bij de huizen van Gijs ten Westenend en van Gijs van Rijsewijk aan. Daar was niemand meer, zodat we tegen elkaar zeiden dat ze wel ergens verder in het dorp zouden zijn. Dus liepen we ook maar een eind verder. We zijn toen naar het huis van Willem Selman gegaan, maar daar vonden we ook geen mensen meer.

We zijn binnen geweest in de kamer; alle laden waren opengetrokken en alles was overhoop gehaald. We zeiden tegen elkaar dat ze vast snel hadden moeten vluchten.
Op de deel lag een varken met jonge biggetjes die naar onze schatting 14 dagen oud waren. Ze hadden genoeg te vreten, omdat de meelton ondersteboven lag. Maar ja, wat moesten we verder doen …?

Eerst zijn mijn broer en ik naar de dijk gelopen; we wilden wel eens weten, waar de schippersjongens bleven. We keken voorzichtig over de dijk en zagen hen onder de bomen lopen. Wij zwaaiden en zij wuifden terug; maar wat dat betekende , wisten we niet. Toen zijn we weer teruggegaan en hebben het voorval aan de schipper verteld. Deze zei dat ze oud en wijs genoeg waren en maar moesten zien, wat ze deden; wij konden toch niet op hen blijven wachten. Bij Selman was verder ook niets te vinden en mijn broer en ik gingen voor de zoveelste keer weer eens op verkenning uit.
We liepen binnendoor over een pad in de richting van de boerderij van Kees Wels. We hadden een witte vlag en een pak dekens meegenomen. We waren goed en wel op weg, toen we draden zagen liggen, waarvan we niet wisten, waarvoor ze dienden. Daar moesten we maar afblijven, want als je ze aanraakte, konden ze misschien wel ontploffen. Toen we een eind verder tussen de bomen liepen, schrokken we vreselijk. Ineens kwamen enkele Engelsen met hun geweer in de aanslag op ons af. Ze stonden te wijzen en te zwaaien om te vragen, waar we vandaan kwamen of wat we wilden.
Ook wezen ze naar onze jassen en wilden iets van ons hebben. Naar later bleek, was dat het persoonsbewijs. We lieten dat zien en ze zeiden tegen ons dat we maar mee moesten komen.
De witte vlag gooiden ze weg. Wel moesten we hen duidelijk maken dat we niet alleen waren.
We hadden twee foto's van onze boerderij bij ons en ook lucifers. De ene foto was aan de Veluwse kant genomen en de andere van de kant van de Rijn. Door lucifers aan te steken en die bij een foto te houden maakten we hun duidelijk dat onze boerderij door de Duitsers in brand geschoten was. Maar we zagen wel dat ze het niet begrepen. Oo probeerde we hen te vertellen dat we niet alleen waren, maar dat er nog 16 personen achter ons aan kwamen. We moesten van hen de dekens neerleggen en teruggaan. Zo hard als we konden lopen, gingen we terug en riepen luid dat we Engelsen hadden gezien. Met z'n allen volgen we nu weer hetzelfde pad.

De Engelsen kwamen ons tegemoet en vroegen ons niet meer naar papieren. Ze deelden chocolade en sigaretten uit en gingen ons voor naar de boerderij van Kees Wels. Daar was ook niemand te vinden en we moesten daar maar eventjes wachten.

Enige tijd later kwamen andere Engelsen hen aflossen, want zij moesten op die post blijven. Wij gingen de Leedjes over en over de Weth. Baltussenweg, maar de wegen waren net als het bouwland door tanks volledig omgeploegd. Onderweg zag je hier en daar wat Engelse soldaten, maar geen voertuigen of tanks. Zo kwamen we langzaam verder en we hoopten dat de familie Beijer nog aanwezig zou zijn; maar ook daar was niemand te bekennen. Overal zagen we kapotte huizen; wat een triest gezicht ! Steeds verder liepen we en zo kwamen we bij het huis van de familie Schrijver. Daar was ook niemand te vinden; het huis had veel geleden door het oorlogsgeweld.

De soldaten maakten ons duidelijk dat we maar zolang moesten gaan zitten. We zagen wel dat ze iets zochten. Eindelijk kwam er een andere militair naar ons toe die tegen ons zei : " Goede middag. Vertel nu maar eens hoe het mogelijk is dat er zomaar een gezin te voorschijn komt". De Engelsen wisten dat er in de buurt van het huis van Jan Schrijver een Nederlander was die in het Engelse leger was opgenomen. We hebben hem alles verteld, ook dat de schippersjongens nog achtergebleven waren. Hij zou zien, wat ze nog konden doen.
Ook werd ons verteld dat de inwoners van Driel al minstens 14 dagen geëvacueerd waren en dat wij die dag niet meer weg konden. De Engelsen hadden geen voertuigen ter beschikking om ons naar Valburg te brengen, we moesten die nacht maar zien door te komen.
Hij bracht ons naar de overkant van de weg naar de boerderij van Henny Gerritsen. Misschien kwam hij de volgende dag terug of anders kwam er wel een andere Nederlander. We kwamen bij Gerritsen in het achterhuis op de deel en keken in het varkenshok. Daar liep nota bene een varken middenin de biscuits. We moesten met z'n allen in de kelder en daar zaten ook Engelse soldaten met een telefoon. We werden welkom geheten en kregen van alles te eten : biscuits, sardines, etc. We konden sigaretten roken en kregen chocolademelk en thee te drinken.
Het raam van de kelder was boven de grond en je had er uitzicht op de spoorbrug. De hele nacht hoorde en zag je de granaten vallen. Slapen was er niet bij, want steeds werd er getelefoneerd. De volgende morgen om 9 uur , kwam een andere Nederlandse militair ons vertellen dat we zo spoedig mogelijk weg moesten. Volgens hem zouden de Duitsers een offensief beginnen en dan konden de Engelsen geen burgers in hun nabijheid hebben; dat was veel te gevaarlijk. De Engelsen hadden alleen een jeep ter beschikking gekregen om ons allen weg te brengen. Ze moesten drie keer rijden en mijn broer en ik gingen met de laatste rit mee. Onderweg kwamen we steeds gecamoufleerde Engelsen tegen, maar voertuigen of iets dergelijks hebben we niet gezien. Ze hadden op de jeep een rodekruisvlag staan en reden met een enorme snelheid naar Valburg.. Daar werden we welkom geheten door pastoor Poelman en diverse bekende mensen.
In " Het Wapen van Valburg " hebben we ons eerst gewassen en schoongeboend, want we hadden geen tijd gehad om dat te doen, nadat we in de sloot hadden gelegen. Vanuit Valburg zijn we met pastoor Poelman naar Herveld gelopen.
In Herveld stonden verschillende Drielenaren langs de weg om ons te begroeten, want niemand had nog iets van de familie Janssen gehoord. Ze meenden dat we allemaal waren omgekomen. Wat een prettig weerzien was dat ! ! We werden voorlopig in Herveld ondergebracht: bij verschillende families hebben we onderdak gekregen.
Maar na 14 dagen moesten we weer weg. In Engelse legerwagens reden we naar Noord-Brabant, naar welke plaats we gingen, wisten we niet. Eén nacht hebben we doorgebracht in een barakkenkamp in Nistelrode en daarna ging het nog verder Noord- Brabant in. We kwamen aan bij het gemeentehuis van Someren Dorp en konden uitstappen.
Graag wilden we met ons gezin bij elkaar blijven en we hebben dat ook voor elkaar gekregen. We moesten daarvoor wel naar de Somerse hei naar een boerderij van de gebroeders Houdijkers. Een afgevaardigde van het gemeentebestuur bracht ons daar naar toe.
We vroegen hem onderweg, of die familie wist dat er in totaal 15 personen bij hen zouden komen wonen. Hij zei van niet, maar dat ze dat wel zouden merken.

Wat hebben we het goed gehad daar op de hei ! Tot juni 1945 zijn we er met z'n allen gebleven.
Tijdens onze evacuatie hebben we steeds geprobeerd om in contact te komen met de twee achtergebleven schippersjongens.
Het Rode Kruis werd ingeschakeld en diverse andere instanties, maar tevergeefs. Totdat we in juli 1945 bericht ontvingen dat er iemand gevraagd had naar de familie Janssen. Dat bleek later één van de zoons van de schipper te zijn. Ze hadden allebei de oorlog overleefd, maar hoe….??

Toen we op 4 oktober moesten vluchten, waren de jongens achtergebleven.

Dat was een kapitale fout geweest, want toen wij weg waren, kwamen de Duitsers met roeiboten de Rijn over. Zij hadden de jongens al lang opgemerkt en in de gaten gehouden.
Met hun eigen roeiboot moesten ze naar de overkant van de Rijn varen. Van vluchten was geen sprake, want dan kregen ze meteen de kogel. Dus roeiden ze met tegenzin naar de andere oever en vandaar moesten ze naar Oosterbeek lopen, naar een school.
Daar werden ze te werk gesteld bij de " Organisation Todt " voor het aanleggen van verdedigingswerken voor de Duitsers. Dat vertikten ze, want ze waren anti-Duits.
Toen kwamen ze terecht in het concentratiekamp te Amersfoort en vandaar werden ze verder getransporteerd naar de hoofdstad van Oostenrijk : Wenen. De bevrijding was in zicht en daar gelukte het hen via een spoorlijn aan de Duitsers te ontsnappen. De schipper en zijn twee dochters waren vanuit Herveld naar een andere evacuatieplaats gebracht en hadden ook de oorlog overleefd.

De belevenissen van de oorlog zullen ons heel ons leven bijblijven. Het mag bijna een wonder genoemd worden dat we het allen overleefd hebben.
Dat is te danken aan Eén die daarvoor gezorgd heeft en wij zullen Hem daarvoor altijd dankbaar blijven !

 

Voorzijde van boerderij "Zeldenrust" voor de oorlog van 1944 gezicht op de Veluwezoom.
Boerderij "Zeldenrust" voor de oorlog van 1944
Nieuwe boerderij van de familie Janssen na de oorlog
De gehavende Veluwezoom na de oorlog .
Dit was de noodwoning na de oorlog met Diny en Jan voor het huis
Kinderen Janssen na de oorlog . Links op de achtergrond de noodwoning en rechts oorlogresten van de schuur.
Nieuwe boerderij aan de overkant van de Rijn
Heveafabrieken en de rivier de Rijn
Familie Janssen voor hun boerderij
Deze 2 werkpaarden zijn tijdens de oorlog van september 1944 door de Duitsers dood geschoten !

Schrijf een commentaar: (Klik hier)

123website.nl
Tekens over: 160
OK Verzenden.

emmy Reede | Antwoord 17.09.2019 00.27

mail adres is emmy.reede@hotmail.com
groeten emmy wonnink

pjg janssen | Antwoord 06.09.2019 16.03

Hallo Emmy ! Ze kennen jou allemaal nog ! Maar wij zijn inmiddels ook niet zo jong meer, want ik word in november 94 jaar ! Waar woon jij nu ?

emmy Reede 17.09.2019 00.25

Hallo,je mag me ook op mijn mailadres schrijven.
Wat leuk om iets van jullie te horen.
Ik woon samen met mijn man in Best bij Eindhoven.
Ben jij Piet.groet Emmy

Emmy Reede Wonnink | Antwoord 02.09.2019 00.39

Hallo
Jullie zullen me niet meer kennen maar toen ik de foto s van de boerderij zag kwamen heel veel leuke herinneringen bij me terug.

Hennie | Antwoord 08.10.2014 00.27

Geen Commm

Hennie ten Westeneind | Antwoord 08.10.2014 00.21

Ik ben Hennie ten Westeneind en ben op 4 Oktober in Valburg geboren mijn ouders waren evacuees en kwamen van Driel of Heteren, meer weet ik niet.

Bekijk alle commentaren

Nieuwe commentaren

17.09 | 00:27

mail adres is emmy.reede@hotmail.com
groeten emmy wonnink

...
17.09 | 00:25

Hallo,je mag me ook op mijn mailadres schrijven.
Wat leuk om iets van jullie te horen.
Ik woon samen met mijn man in Best bij Eindhoven.
Ben jij Piet.groet Emmy

...
06.09 | 16:03

Hallo Emmy ! Ze kennen jou allemaal nog ! Maar wij zijn inmiddels ook niet zo jong meer, want ik word in november 94 jaar ! Waar woon jij nu ?

...
02.09 | 00:39

Hallo
Jullie zullen me niet meer kennen maar toen ik de foto s van de boerderij zag kwamen heel veel leuke herinneringen bij me terug.

...
Je vindt deze pagina leuk
Hallo!
Probeer uw eigen website te maken, net als ik! Het is makkelijk en u kunt het gratis proberen
ADVERTENTIE